Hoe werkt het internationale recht van toepassing op een nationale rechtsorde?

Dualistische en monistische systemen

Staten zien de wisselwerking tussen internationaal en nationaal recht op twee verschillende manieren. Monisme en dualisme worden gebruikt om deze twee verschillende juridische tradities beschrijven.

Monisme

In landen met een monistisch systeem het internationale recht niet hoeft te worden omgezet in nationaal recht. De handeling van de ratificatie van een internationaal verdrag bevat meteen dat het internationaal recht in nationale wetgeving. De ICC-statuut, daarom direct kunnen worden toegepast en berecht in nationale rechtbanken.

"Monistische systemen" van elkaar verschillen in hun aanpak.

  • Onder bepaalde grondwetten directe verwerking van internationale verplichtingen in het nationale recht zich voordoen op ratificatie.
  • In andere landen directe integratie komt alleen voor self-executing verdragen.

Dualisme

Voor lidstaten met een "dualistisch systeem", het internationaal recht is niet rechtstreeks van toepassing in eigen land. Het moet eerst worden omgezet in nationale wetgeving voordat het kan worden toegepast door de nationale rechter.

Daarom is voor een dualistische staat ratificatie van het ICC-statuut is niet genoeg en nationale uitvoeringswetgeving noodzakelijk. Oorlogsmisdaden, bijvoorbeeld, kan alleen plaatsvinden wanneer de nationale wetgeving wordt vastgesteld, tenzij natuurlijk een dergelijke regeling al bestaat.

Voorbeeld: Holland - een monistisch systeem, met de uitvoering van de wetgeving

Nieuwe nationale voorschriften voor misdaden tegen de menselijkheid, wetten op samenwerking en overdracht van verdachten.

De Nederland ondertekende het Statuut van Rome op 18 juli 1998 en ratificeerde het op 17 juli 2001. Ondanks dat het een monistisch systeem, het uitzicht van Nederland is dat als een staat die partij is het verplicht om het statuut te implementeren via nationale wetgeving.

Het Internationaal Strafhof (uitvoering) en de Wet bijbehorende Amendment Act waren vastgesteld op 20 juni 2002. De Uitvoeringswet in werking getreden op 1 juli 2002, waardoor de Nederlandse regering een wettelijke basis voor het overbrengen van verdachten aan het ICC en voor de samenwerking met het Internationaal Strafhof.

Oorlogsmisdaden en genocide al vele jaren zijn gedefinieerd als strafbare feiten naar Nederlands recht. Daarom personen beschuldigd van deze misdaden zouden berecht in Nederland, zelfs voorafgaand aan het ICC-statuut in werking treedt. Om het mogelijk maken om personen die beschuldigd van misdaden tegen de menselijkheid, Nederland echter nodig om de relevante ICC-statuut bepalingen te vertalen in nationaal recht. De Wet internationale misdrijven werd vastgesteld op 19 juni 2003 en in werking getreden op 1 oktober 2003. Dit bracht het Nederlandse strafrecht aan te passen aan de eisen van de ICC-statuut, en die zich bezighouden met het beginsel van complementariteit.